NRC Handelsblad 1 Juli 2005

Al gauw een hele sahib
Door Janet Luis

Op 1 juni 2001 speelde zich in de hofkringen van Nepal een drama af. Kroonprins Dipendra doorzeefde, in een vlaag van verstandsverbijstering, zijn naaste familieleden met kogels uit twee machinegeweren. Na gedane zaken schoot hij zichzelf door het hoofd. De koning, de koningin, enkele andere kroonpretendenten en ooms en tantes kwamen hierbij om. Handelde Dipendra uit frustratie, omdat hij van zijn ouders niet mocht trouwen met het meisje naar keuze? Of was er een complot in het spel? Helemaal opgehelderd is deze kwestie nooit. Zeker is wel dat oom Gyanendra, die zijn broer zou opvolgen als koning van Nepal, tijdens de schietpartij afwezig was en dat zijn vrouw, al dan niet toevallig, deze 'koninklijke slachting' overleefde. Zij verloor alleen een vingerkootje.

 

Cas de Stoppelaar maakt in zijn roman Olifantenpolo op tamelijk luchtige toon gewag van deze slachting, zonder nader op de vermoedelijke motieven van de kroonprins in te gaan. Nepal, zo schrijft hij ironisch, was toen heel even 'hot' en van alle kanten kwamen de journalisten ingevlogen. Maar al spoedig zou het land in de vergetelheid terugzinken.Wie interesseert zich voor dit Aziatische land zonder bodemschatten en zonder uitgesproken politieke waarde, op wat Himalaya-gangers on beklimmers van de Mount Everest en de Dhaulagiri na?

 

In de jaren tachtig schreef De Stoppelaar, van huis uit bioloog, later benoemd tot honorair Consul-generaal van Nepal, regelmatig over zijn Nepalese ervaringen in deze krant. Dat leidde tot twee verhalenbundels: De lotuseters (1983) en Beethoven in Darjeeling (1990). Nu, vijftien jaar later, achtte hij de tijd rijp voor nieuwe Nepal-literatuur.

 

In Olifantenpolo schrijft hij, ongetwijfeld ook weer gebruikmakend van eigen ervaringen, over de moeizame bouw, het succes, de teloorgang en de uiteindelijke afbraak van een hotel aan de rand van Kathmandu, met uitricht op de bergen. Het is meteen duidelijk dat hier een liefhebber aan het woord is. Iemand die houdt van het land, de Nepalezen, 'de didis' die de boel schoonhouden, de bergen, de stilte, de tempels, de offerrituelen, maar ook van de stoffige omstandigheden, de armoe, de ongelijkheid, de hitte, het vuil, de corruptie, de politieke troebelen, de wanorde en de afzetterij.

 

Hoofdpersoon is Oscar Oomen, die in zijn levensonderhoud voorziet door Europese wandelaars geheel verzorgd rond te leiden door de Himalaya. Tussendoor laat hij een bevriende Limburgse timmerman samen met een hele stoet Nepalese arbeiders een hotel bouwen. De westerse toeristen zorgen ervoor dat hij, na een verbroken huwelijk in Nederland, in de jaren tachtig als een soort vorst in Nepal kan Ieven. Hij wordt door 'onzichtbare handen' bediend en zonder morren van allerlei gemakken voorzien.

Aan de ene kant is er het Europese leven dat zich afspeelt in studentenkamers, onduidelijke relaties en in betrekkelijke autonomie. Aan de andere kant is er het Aziatische leven met zijn hiŰrarchische structuur, waarin een gewone Hollandse jongen zich al gauw een hele piet of 'sahib' kan gaan voelen, omdat hij personeel heeft en olifantenpolo speelt met zakenmensen en ambassadeurs.

 

De Stoppelaar karakteriseert Oscar als een tussenpersoon, iemand die zich in Nederland noch in Nepal helemaal op zijn gemak voelt en voortdurend last heeft van schuldgevoelens. Zijn manier van vertellen, quasi onverschillig en een beetje op de toon van jongens onder elkaar, doet denken aan die van F. Springer, al is De Stoppelaar een stuk wijdlopiger. Neem bijvoorbeeld deze passage waarin Oscar iets wil opschrijven: 'Hij pakt een pen uit de la en neemt een vel papier van de stapel. De pen doel hel niet, dus pakt hij een potlood, waarvan de punt breekt zodra hij hel papier aanraakt. Hij rommelt in de la en vindt een oude viltstift die wel schrijft.'

 

Oscar maakt van alles mee: een echtscheiding, een dood kind, een vriendin die ervandoor gaat, een aanranding door een woeste Amerikaanse ambassadrice, een politieke omwenteling, de ineenstorting van het toerisme, onderhandelingen met mao´stische rebellen en een koninklijk schietdrama. We volgen Oscar door de jaren heen, van 1979 met grote tussenpozen tot 2002. Hij ziet geen kans een bestendige relatie op te bouwen, heeft op zijn 55ste kind noch kraai, hij besteedt zijn aanvankelijk succesvolle en later ziellogende hotel uit aan iemand anders en het is onduidelijk wal hij uitvoert in Nederland als hij is teruggekeerd, behalve heimwee koesteren naar Nepal.

 

'Zou het ooit nog wat met hem worden?' vraagt hij zich op zeker moment dan ook af. Nee, niet echt, moet wel het antwoord zijn. Dat geldt ook een beetje voor het boek over Oscar. Het kabbelt gestaag voort, met een leuk detail en een spannende anekdote hier, een kwinkslag en een droge opmerking daar en met tussendoor interessante informatie over Nepal: bezienswaardigheden, landschappelijke bijzonderheden, gebruiken, eigenaardigheden, sociale en politieke verhoudingen. De conclusie moet wel zijn dat er aan de romantechniek van De Stoppelaar nog wel wat bij te schaven valt. Maar de Consul in hem kan tevreden zijn: Nepal slaat voorlopig weer even op de kaart.