NRC Handelsblad 30 Juli 2005

'Hoe heerlijk dat de Sherpa's mijn kinderen de berg opdroegen'

 

Cas de Stoppelaar, consul van Nepal en hoteleigenaar aldaar, schreef een roman over zijn avonturen in het Aziatische koninkrijk.
Japke-d. Bouma spreekt met hem over 'het dubbele gevoel van de neokoloniaal'

 

Een Nederlander die naar Nepal wil moet langs Cas de Stoppelaar. Hij is namelijk de consul van het Aziatische koninkrijk in Nederland. De `Royal Nepalese Honorary Consul General', om precies te zijn. Hij verstrekt visa. Hij beheert het consulaat van Nepal. Hij is, voor Nederlanders althans, de poort naar het dak van de wereld.

Zo romantisch als dit wellicht klinkt, zo romantisch is de praktijk allerminst. Het consulaat is niet meer dan een krappe tweekameretage aan de Keizersgracht in Amsterdam. En de consul zelf is eigenlijk een doodgewone Hollander. Een vriendelijke man met bril, middelbare leeftijd, intelligente oogopslag, een broek en een poloshirt. Een bioloog die ooit bij toeval in Nepal kwam, daar een hotel stichtte, gevraagd werd honorair consul te worden en nu zorgen heeft.

Want Nepál heeft zorgen. Sinds 2001 komen er steeds minder toeristen naar het land. Dat komt doordat er een gewapend conflict woedt in Nepal. Het recht van de sterkste heeft er intrede gedaan en niemand weet de oplossing.

 

“Nepal is aan het wegzakken", zegt Cas de Stoppelaar vanachter een kop oer-Hollandse koffie in het consulaat. “Dat doet pijn.” Hij is mede-eigenaar van een hotel in Nepal dat onder de politieke chaos lijdt. Hij verliest geld. Maar het doet hem ook pijn omdat het Nepal is. “Zo'n prachtig land. Je kunt er raften en de fantastische bergen beklimmen, er zijn wildparken. Nu glijdt alles weg. De maoisten slaan wild om zich been. Het is diep tragisch."

Cas de Stoppelaar schreef een boek over Nepal. Olifantenpolo, heet het. Hij had er de tijd voor, zegt hij wrang. Want door de politieke chaos heeft hij toch even weinig om handen. De poort naar het dak van de wereld is er nog wel, maar weinig Nederlanders kloppen er aan.

Het boek van Cas de Stoppelaar is een roman. Hoofdpersoon is Oscar Oomen, een bioloog die naar Nepal gaat, een hotel sticht, en vervolgens zakelijk ten onder gaat. De Stoppelaar zelf is ook bioloog, stichtte óók een hotel in Nepal.

 

Je schreef een boek over je eigen leven?

 

“Ten dele. Aan de ene kant is mijn boek honderd procent autobiografisch. Bijvoorbeeld waar het gaat over het opbouwen van het hotel, en de contacten met de locals. Aan de andere kant heb ik er ook heel veel bij verzonnen. Het decor van het boek is echt, verder is het fictie."

 

Dus je bent zelf nooit bijna verkracht door de Amerikaanse ambassadrice?

 

[Lachend] “Dat laat ik in het midden."

 

Waarom heb je er geen biografie van gemaakt?

 

“In een roman kon ik het verhaal meer inkleuren. En het leek me interessant in het boek verder te gaan dan ik in mijn eigen leven tot nu toe gegaan ben."

 

Je bent zelf nog niet ten ondergegaan?

 

[Lachend] “Precies. Bovendien wilde ik het boek ook algemener geldend maken. Ik wilde laten zien hoe het vaak gaat met westerlingen die naar het oosten emigreren. Mannen die binnenkomen met vliegend vaandel en bollende zeilen, vervolgens verliezen en dan uiteindelijk, zoals Oscar, eindigen in hurt eigen kots. Letterlijk. Mannen die met veel gevoel voor het British Empire naar Nepal komen, daar intellectuele salons stichten, elkaar ontmoeten op exclusieve clubs en diplomatenborrels. Maar vervolgens mislukken en eindigen met verbleekte gordijnen, kapotte kristallen glazen en gaten in het tafellinnen: allemaal te arm om terug te gaan.

“Zo gaat het natuurlijk ook uiteindelijk in het groot: China en India nemen het over en Europa bungelt straks ergens onderaan. Die beweging van eb en vloed heb ik als onderlaag in het boek proberen aan te brengen. Met Oscar Oomen heb ik het prototype willen neerzetten van de neokoloniaal.”

Cas de Stoppelaar kwam in 1970 tijdens zijn studie biologie in Leiden met een clubje bergwandelaars bij toeval in Nepal terecht. De vader van een vriendje van zijn zusje had connecties in het land, en het leek De Stoppelaar geweldig er eens een kijkje te gaan nemen. Hij was toen 22 jaar. De schoonheid van het land overviel hem. Hij kende de Alpen. Maar de Himal Alaya (Bergen vol sneeuw), die waren van een hogere orde. “Ik vond het ‘t mooiste land ter wereld", zegt Cas de Stoppelaar, vijfendertig jaar later. “Elfenland, zo noemde ik het. En ik had het gevoel er als enige westerling te zijn. Dat gevoel had ik nog nooit gehad. Ik wilde het land voor mezelf houden. Daar was de wereld van mij.”

Hij kwam, met drie studenten biologie, op het idee om insecten te gaan bestuderen in Nepal en daar hun afstudeerscriptie over te schrijven. “Onze theorie was dat de insecten door de extreme omstandigheden op grote hoogte zouden zijn gemuteerd onder invloed van uv-straling. Het was niet echt een goed onderzoek, het had hooguit een interessante vraagstelling", zegt De Stoppelaar. Maar het was wl een creatieve manier om in Nepal te blijven. Want daardoor kon hij op kosten van de Leidse universiteit met Sherpa's (lokale bevolking) de Himalaya in. “Voor een jongen van 22 is dat een droom", zegt De Stoppelaar. “We gingen te voet over onbetreden paden. Naar die periode verlang ik soms intens terug."

Al snel bleek dat ze als pioniers in Nepal een voordeel genoten. Ze konden als gids dienen voor al die andere westerlingen die in die periode de Himalaya kwamen ontdekken. De Stoppelaar ging onder de naam Summit Trekking bergtochten organiseren, compleet met uitrusting en Sherpa's als gidsen en dragers. En toen op een mooie ochtend ineens het huis van de Ford Foundation in Kathmandu te koop stond, kregen De Stoppelaar en zijn vriend Dolf Noordijk het idee een

hotel te beginnen. Ze kochten het, verbouwden het en bouwden er gastenverblijven naast.

“We gingen als padvinders aan de slag. Ik was bioloog, Dolf kinderchirurg. We wisten niets van het hotelwezen, bouwen of zakendoen. En we kregen natuurlijk allerlei vormen van corruptie en andere Aziatische ellende over ons been." Maar uiteindelijk kwam het hotel de modder uit. Het werd op 4 november 1980 opgeleverd: het Summit Hotel in Kathmandu.

 

De avonturen die Cas de Stoppelaar in Nepal beleefde, laat hij Oscar Oomen ook beleven. Het moet een leuke tijd zijn geweest. Een avontuur. Het hotel dat eigenhandig verrijst. Het leger bedienden achter de hand. De drommen toeristen die zich met gemak het geld afhandig laten maken. In 1997 wordt hij ook nog gevraagd honorair consul te worden van Nepal in Nederland en lukt het hem kort daarop kroonprins Willem-Alexander voor een staatsbezoek naar Nepal te krijgen. Alles zit mee. Toerisme groeit als kool, Transavia gaat op Kathmandu vliegen. En vlak voordat de maoďsten de boel komen verpesten, spelen zowel Oscar Oomen als Cas de Stoppelaar op het toppunt van hun koloniale decadentie polo op olifanten in Chitawan, het zuidelijke wildgebied van Nepal. “Het is de meest koloniale sport ooit gespeeld. Voorts roept het associaties op met Olifant-in-porseleinkast, de botheid van de westerling, de weinig fijnzinnige manier van opereren van mijn soortgenoten."

 

Ben je dan niet de neokoloniaal die je Oscar laat zijn?


 “Ik heb wel eens gedacht ben ik zelf nu ook zo'n uitbuiter geworden?' Net als Oscar wilde ik het land voor mezelf en de bevolking houden en bewaren in al zijn puurheid. Maar tegelijkertijd begon ik er een toeristische organisatie om het land te gebruiken. Net als Oscar houd ik van de mensen maar vind ik ze soms ook oneerlijk en corrupt."

Hij noemt het zelf “het dubbele gevoel van de neokoloniaal". “Dat ik Nepal heb gebruikt. En de bevolking. Dar ik het heerlijke vond dat Sherpa's mijn bagage en kinderen de bergen opdroegen, hun luiers wasten, en mijn eten kookten. Maar dat ik daarmee ook werkgelegenheid heb gebracht naar Nepal. Mensen heb opgeleid. En westerlingen de schoonheid van het land heb laten zien. Dat is de eeuwige worsteling. Het is moeilijk om daarin een evenwicht te vinden."


Anno 2005 is het de tijd voor dat soort bespiegelingen. Cas de Stoppelaar leeft voornamelijk van zijn spaargeld. Summit Trekking heeft het zwaar. Het hotel zit wel vol, maar tegenwoordig zijn het geen toeristen die de kamers bevolken, maar officials, vredestichters, bemiddelaars, diplomaten, onderhandelaars, allemaal met een eigen missie in Nepal. “In Kathmandu zitten wapenhandelaren rug aan rug met officials van de VN", zegt hij. “Ik zing het wel uit hoor, maar ik hoop dat de maoďsten snel ophouden, want mijn inkomen is geduikeld met 80 procent."

Zijn grootste angst is dat de maoďsten toeristen gaan ontvoeren. Hij laat dat in zijn boek al gebeuren en beschrijft hoe ze weer vrijkomen. Maar als dat in het echt ook zou gebeuren, zou dat de doodsteek betekenen voor het toerisme. Dan komt er niemand meer naar Nepal. “Ik denk dan dat het hotel wel zou blijven bestaan, maar de trekking-organisatie zou ik moeten opheffen."

Soms is hij er ziek van hoe het zijn tweede vaderland vergaat. Ook vaak teleurgesteld. Dan staat hij op zo’n borrel met tal van die beschaafde, hoogopgeleide Nepalezen. Aardige mensen hoor, en mooie vrouwen. “Maar dan denk ik: waarom veranderen jullie er niets aan. Júllie zijn hoogopgeleid, júllie hebben de connecties, waarom gaan jullie de corruptie en de chaos niet te lijf? In plaats daarvan ontmoet ik gelatenheid, alles is voorbestemd. Mensen nemen hun verantwoordelijkheid niet. Dat vind ik heel moeilijk te accepteren. Wij Nederlanders zijn toch meer van je eigen leven ter hand nemen. De Nepalezen hebben het daarentegen altijd over dingen die anderen zouden moeten.

“Tegelijkertijd vind ik dat ook weer het mooie aan de Nepalezen. De beschaving waarmee ze hun lot dragen. De elegantie en de distantie waarmee ze relativeren. Dan schaam ik me soms wel eens als ik mezelf zie. Een Hollander die denkt wel even de wereld te kunnen veranderen.”

 

Kan je niet gewoon weggaan uit Nepal? Je hotel verkopen?

 

“Natuurlijk heb ik er wel eens over gedacht weg te gaan en alles achter te laten.”

 

Stel dat je er tien miljoen voor zou krijgen.

 

“Dat is een gewetensvraag."

 

Zou het kunnen?

 

“In theorie wel. Maar ik denk toch niet dat ik het zou doen. Al dat bloed, zweet en tranen, al die liefde en dat geluk, ik kan het niet achter laten. Ik ken iedere grasspriet daar. Elke baksteen ging door mijn eigen handen. Het heeft bovendien natuurlijk ook iets moois, om zo lotsverbonden te zijn met iets. Als het hotel ten onder gaat, ga ik ook ten onder, zo'n soort gevoel is her.

“Bovendien, ik zie toch ook weer de kern van iets nieuws ontstaan, in Nepal. Dat is het leuke van het land. Het is zo vitaal. Ik ben nu betrokken bij de oprichting van een nieuwe politieke partij in Nepal waarvoor ik Nederlandse politici heb geďnteresseerd. Verder ken ik een groot aantal mensen in Nepal die ‘er toe doen' en die op dit moment ook mijn hulp zoeken, zoals bij het aanklagen van de maoďsten bij het Internationale Strafhof in Den Haag.

“Zo hoop ik 'mijn' land natuurlijk ooit weer eens te zien herrijzen als een phoenix uit de as. Kijk naar India, en China. Daar gaat het nu toch al een heel stuk beter dan twintig jaar geleden. En Nepal zit daar tussenin, als een plakje ham tussen twee dikke boterhammen. Als het conflict wordt opgelost, dan wordt Nepal weer booming. Daar wacht ik op. Tot die tijd laat ik me er niet uitzetten. Juist nu niet, nu het echt spannend is geworden. Overleven in de huidige chaos, dat is pas een uitdaging."

 

Dat noemen sommige mensen naďef:

 

“Toch geloof ik erin. Oprecht. Ik moet wel.”

 

 

 

W AT IS OLIFANTENPOLO

Olifantenpolo is te vergelijken met paardenpolo, maar dan op een olifant.

Het speelveld is 70 x 100 yards, dus iets kleiner dan bij paardenpolo. Olifanten zijn nu eenmaal niet zo snel als paarden. De mallets (houten hamers) zijn 98 tot 110 inch lang, afhankelijk van de grootte van de olifant.

Elke ploeg heeft 4 olifanten, waarvan er telkens maar 3 in de match gebracht worden. De vierde olifant blijft in de buurt van de goal. Op elke olifant zit zijn 'mahout' (temmer, begeleider) plus de speler, die de bal mag slaan. De scheidsrechters zitten op een houten terras op de rug van de grootste olifant, die langs de zijlijn staat.

Sommige olifanten lijken bet spel te begrijpen en zijn erg enthousiast. Soms trappen ze zelf de bal in de goede richting, of gaan erachteraan zonder aansporing van de mahout. Soms gooien ze de bal in de goal met hun slurf, maar dat is tegen de spelregels. Het is ook niet toegestaan om met je olifant voor de goal te gaan liggen.

 

 

DE TOESTAND IN NEPAL

Aanstichters van het conflict dat Nepal momenteel verscheurt zijn de Maoisten die de monarchie omver willen werpen. Ze begonnen in 1996, uit de communistische ideologie van vrijheid en gelijkheid. Maar tegenwoordig heeft bet met ideologie niets meer te maken, zegt Cas de Stoppelaar. “Nu zijn bet terroristen, ze regeren door de 'barrel of a gun'. Ze moorden, plunderen en verkrachten." Daarbij komt dat de koninklijke familie, de tegenpartij, op 1 juni 2001 vrijwel volledig werd uitgemoord door kroonprins Dipendra, met als macabere finale een kogel door zijn eigen hoofd. Tegenwoordig regeert de enig overgebleven telg van de familie, Gyanendra, de broer van de oude, vermoorde koning. Hij heefttientallen politieke tegenstanders en journalisten zonder vorm van proces laten opsluiten. Ook hij is bovendien niet in staat zich met de rebellerende Maoisten te verzoenen, laat staan dat er hoop is op een snelle oplossing.